Vervallen aanvraagtermijn waardeoverdracht

De aanvraagtermijn voor individuele waardeoverdracht is per januari 2015 vervallen. Sinds de invoering van het wettelijk recht op waardeoverdracht bij wisseling van werkgever, geldt als voorwaarde dat de deelnemer de waardeoverdracht binnen zes maanden aanvraagt. De Tweede Kamer besloot deze termijn te schrappen. De huidige wettelijke overdrachtsdatum (het moment waarop de deelnemer aanvangt in de nieuwe pensioenregeling) wordt vervangen door het moment van de aanvraag van de waardeoverdracht. Dit wordt ook de berekeningsdatum voor de vaststelling van de overdrachtswaarde. Hierdoor worden de uitvoeringsproblemen voor pensioenuitvoerders verminderd.

Geen belemmeringen overdracht pensioen
De Tweede Kamer vindt overdracht van pensioen in veel gevallen nog steeds een verbetering. Daarom moeten deelnemers altijd waardeoverdracht kunnen aanvragen. Deelnemers krijgen een beter zicht op de totale pensioenaanspraken en op de ontwikkeling van de waarde van het pensioen.
Echter, deze rol is allang overgenomen door het pensioenregister.

Op de redenering van de Tweede Kamer is veel af te dingen. Het wettelijk recht op waardeoverdracht is in 1994 ingevoerd om pensioenbreuk te bestrijden. Pensioenbreuk was aan de orde bij eindloonregelingen. Maar eindloonregelingen komen nog maar zelden voor. Voor deelnemers is het wel overzichtelijk om alle pensioenaanspraken bij dezelfde uitvoerder te hebben.
Maar of waardeoverdracht een verbetering van het pensioenresultaat geeft, hangt af van de mate waarin beide pensioenuitvoerders de pensioenen in de toekomst kunnen verhogen of moeten verlagen. Dat is voor deelnemers vooraf moeilijk in te schatten. Pensioenuitvoerders kunnen daar ook geen goede indicatie voor geven.

Aanvang na 1 januari 2015
Staatssecretaris Klijnsma wil de effecten van het calculerend gedrag beperken. Dat doet ze door de aanvraagtermijn voor waardeoverdracht alleen te laten vervallen als de deelneming in de nieuwe pensioenregeling is begonnen op of na 1 januari 2015.
Het recht op waardeoverdracht kan ook opgeschort zijn, omdat een betrokken pensioenfonds een te lage dekkingsgraad heeft. Indien het recht op waardeoverdracht na een dergelijke opschorting herleeft, geldt op dat moment een aanvraagtermijn van zes maanden. Hiermee wordt dit onderdeel van de wetswijziging teruggedraaid. Hierdoor is de wettelijke regeling op dit punt niet consistent.

Minder overdrachten door bijbetaling
Het is mogelijk dat veel slapers door het vervallen van de aanvraagtermijn alsnog een verzoek om waardeoverdracht (gaan) doen. Ook de kans dat bijbetalingsproblematiek zich voordoet, is fors toegenomen. De achtergrond van bijbetalingsproblematiek is dat verzekeringscontracten vaak gebaseerd zijn op een rekenrente van 3% of 4%.

De wettelijke rekenrente voor waardeoverdracht is in 2015 lager, namelijk 2,156%. Bij een overdracht naar een verzekeraar, kan de verzekeraar om een bijbetaling vragen. Klijnsma wil escalatie van de bijbetalingsproblematiek voorkomen. Daarom verruimt zij de tijdelijke regeling om bijbetalingslasten bij waardeoverdracht te beperken. Voor alle werkgevers geldt dat waardeoverdracht niet door hoeft te gaan als dit leidt tot een bijbetaling van meer dan € 15.000,- én meer dan 10% van de overdrachtswaarde. Eerder gold dit alleen voor kleine werkgevers. Dit kan ertoe leiden dat minder overdrachten plaats vinden dan dat er aangevraagd worden.

Reparatie voor korte termijn
Het ontwerpbesluit van Klijnsma is een reparatiemaatregel voor de korte termijn. Het kabinet doet in 2015 nader onderzoek naar een fundamentele herziening van het systeem van waardeoverdracht.

Opmerking
Het kabinet heeft de afgelopen jaren gezegd om bij de bijbetalingsproblematiek niet vooruit te lopen op de fundamentele herziening. Blijkbaar gaat het niet snel genoeg om te wachten op de fundamentele herzieningen.

Het (aangepaste) ontwerpbesluit is op 19 juni jl. in de Ministerraad geaccordeerd en is nu voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd.

Heeft u vragen, opmerkingen of wilt u een afspraak maken, dan kunt u mij bereiken via:
T:  055-7851377 of 010-7982435
M: 06-16026504
E:  erik@hertgerspensioenadvies.nl

 

Apeldoorn, 16 juli 2015

Erik Hertgers
Hertgers Pensioen Advies

Disclaimer
Dit artikel is geschreven naar de inzichten van 16 juli 2015. Hertgers Pensioen Advies heeft bij het redigeren van dit artikel de nodige zorgvuldigheid betracht. Hertgers Pensioen Advies is niet verantwoordelijk voor schade die ontstaat als gevolg van onjuistheden in dit artikel.

OR meer instemmingsrecht

Minister Asscher wil de ondernemingsraad instemmingsrecht geven voor voorgenomen besluiten over de inhoud van een pensioenregeling bij uitvoerders. Complex is dat de grens tussen inhoud en uitvoering niet altijd eenduidig is. Ondernemers doen er goed aan de ondernemingsraad goed te informeren als de ondernemingsraad hier een rol heeft. En om ruim de tijd te nemen voor het besluitvormingstraject. Anders kunnen uitvoerders een nieuwe of gewijzigde regeling niet op tijd doorvoeren.

Kabinet dicht lacune
De ondernemingsraad heeft sinds jaar en dag een instemmingsrecht voor vaststelling, wijziging of intrekking van pensioenregelingen die zijn ondergebracht bij een verzekeraar.
In 2013 verruimde de Tweede Kamer het instemmingsrecht voor vaststelling of intrekking van pensioenregelingen bij uitvoerders en pensioenfondsen.
Dit instemmingsrecht gold dus niet bij wijziging van de pensioenregeling. Het kabinet wil deze lacune nu dichten. De ondernemingsraad speelt overigens geen rol als over de pensioenregeling inhoudelijk afspraken zijn gemaakt in een cao. Dit is niet alleen in juridisch, maar ook in praktisch opzicht een belangrijke beperking in het instemmingsrecht van de ondernemingsraad.

Instemmingsrecht over pensioenovereenkomst
De ondernemingsraad krijgt instemmingsrecht voor voorgenomen besluiten over ‘regelingen met betrekking tot een pensioenovereenkomst’. Het gaat om de arbeidsvoorwaardelijke aspecten van de pensioenregeling, ondergebracht bij uitvoerders. Als de ondernemingsraad niet instemt en de ondernemer neemt desondanks het besluit, dan heeft de ondernemer een probleem. Het besluit is dan namelijk nietig als de ondernemingsraad een beroep doet op de nietigheid van het besluit. De ondernemer kan de kantonrechter om toestemming vragen om het besluit te nemen, maar dat geeft vertraging.

Mogelijk effect op uitvoerders
Deze perikelen rond de besluitvorming zijn in de eerste plaats een zaak tussen de werkgever en de ondernemingsraad. Maar de gang van zaken kan toch effect hebben op de uitvoering door een verzekeraar en/of pensioenfonds.
Zo kan het gebeuren dat een uitvoerder een nieuwe of gewijzigde pensioenregeling niet of niet tijdig kan invoeren. Dat betekent dat deelnemers niet tijdig geïnformeerd kunnen worden over de wijziging van de pensioenregeling door middel van een startbrief. Mogelijk dient de oude regeling in uitvoering te blijven, terwijl het qua wijziging bijvoorbeeld nodig is om aan wettelijke eisen te voldoen.

Instemmingsrecht ook over uitvoeringsovereenkomst
Maar ook de uitvoeringsovereenkomst kan een aspect bevatten, dat de arbeidsvoorwaarde pensioen raakt. Bijvoorbeeld het schrappen van een bijstortverplichting van de werkgever of het afbouwen van een indexatiedepot. Dan heeft de ondernemingsraad ook daarover instemmingsrecht. De grens tussen inhoud van de pensioenregeling en de uitvoering ervan is soms moeilijk te trekken. De ondernemer en de ondernemingsraad kunnen daar afspraken over maken. Maar ze kunnen hierover van mening verschillen. Dan moet de ondernemingsraad voor de rechter bewijzen dat een uitvoeringsaspect een pensioenaspect raakt. Er ontstaat veel onduidelijkheid over de reikwijdte van het instemmingsrecht.

De ondernemingsraad moet natuurlijk wel op de hoogte zijn. Daarom moet de ondernemer de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk schriftelijk informeren over elk voorgenomen besluit over een uitvoeringsovereenkomst.

Uitvoerders na instemming aan zet
Verruiming van het instemmingsrecht van de ondernemingsraad kan de besluitvorming over pensioenregelingen moeilijker maken. Tijdige invoering van een nieuwe of gewijzigde pensioenregeling kan onder druk komen te staan. De werkgever kan met een dilemma komen te zitten. De uitvoerder moet kunnen vertrouwen op de werkgever. Hij moet zich afvragen of hij de afspraken kan vastleggen in de uitvoeringsovereenkomst. Als dat nog niet kan, dan kan een uitvoerder de nieuwe of gewijzigde pensioenregeling nog niet in de administratie opnemen.

Opmerking
Het wijzigingstraject voor pensioenregelingen wordt er niet gemakkelijker op. Doordat er geen duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen inhoud en uitvoering van de pensioenregeling. Terwijl dat juist de insteek van de Pensioenwet is. De ondernemer doet er goed aan ruim de tijd te nemen voor het besluitvormingstraject. De perikelen rond wijziging blijven in de eerste plaats een zaak tussen ondernemer, ondernemingsraad en de pensioenadviseur(s).

Heeft u vragen, opmerkingen of wilt u een afspraak maken, dan kunt u mij bereiken via:
T:  055-7851377 of 010-7982435
M: 06-16026504
E:  erik@hertgerspensioenadvies.nl

 

Apeldoorn, 16 juli 2015

Erik Hertgers
Hertgers Pensioen Advies

Disclaimer
Dit artikel is geschreven naar de inzichten van 16 juli 2015. Hertgers Pensioen Advies heeft bij het redigeren van dit artikel de nodige zorgvuldigheid betracht. Hertgers Pensioen Advies is niet verantwoordelijk voor schade die ontstaat als gevolg van onjuistheden in dit artikel.

Tijdelijke regeling Pensioenknip

Op 2 juli jl. publiceerde staatssecretaris Klijnsma (SZW) het besluit om de regeling Pensioenknip opnieuw tijdelijk open te stellen. Tot 2014 bestond er ook een tijdelijke regeling Pensioenknip, maar die is na een evaluatie in 2013 niet verlengd. Klijnsma lost hiermee de toezegging aan de Tweede Kamer in, om nog voor het zomerreces met een ministeriële regeling te komen.

Aanleiding
In de Tweede Kamer is dringend aandacht gevraagd voor de situatie van mensen die hun opgebouwde pensioenkapitaal moeten omzetten in een levenslange uitkering en daarbij nadeel ondervinden van de lage rentestand. Hun aan te kopen pensioen is vaak lager dan het te verwachten pensioen volgens het uniform pensioenoverzicht (UPO) dat niet is gebaseerd op de huidige lage rente. Zij kunnen nog geen gebruik maken van de aangekondigde maatregelen voor het optimaliseren van premieovereenkomsten (beschikbare premieregelingen), zie hieronder.
Ook degenen die een pensioenregeling hebben op basis van een kapitaalovereenkomst ondervinden nadeel van de lage rente bij de aankoop van hun pensioen.

De Pensioenknip
De Pensioenknip maakt het mogelijk om bij premie- en kapitaalovereenkomsten de uitkering op de ingangsdatum te splitsen (‘knippen’) in een tijdelijke uitkering en een daarop aansluitende levenslange uitkering.

Uit de bovengenoemde evaluatie bleek dat de pensioenknip het beoogde doel niet heeft bereikt, omdat:

  • er nauwelijks gebruik van is gemaakt (circa 100 pensioengerechtigden);
  • de deelnemers geen voordeel hebben gehad als gevolg van de dalende rente;
  • de regeling complex en adviesgevoelig was;
  • er extra kosten zijn die (in)direct voor rekening van de deelnemer kwamen;
  • er bij de aankoop van een tijdelijke uitkering een lagere rentevergoeding wordt gegeven dan bij een levenslange pensioenuitkering. Een relatief groot deel van het pensioenkapitaal gaat daardoor op aan de tijdelijke uitkering.

Inhoud van de regeling
De nieuwe regeling Pensioenknip is tot 1 januari 2017 opengesteld, zodat het in principe mogelijk is om bij de aankoop van de levenslange pensioenuitkering gebruik te maken van de beoogde maatregelen voor optimaliseren van premieovereenkomsten. Indien de periode toch te kort is, wordt de regeling te zijner tijd opnieuw aangepast.

De tijdelijke regeling Pensioenknip is opgesteld voor mensen van wie de pensioendatum ligt vóór 1 januari 2017 en hun pensioenkapitaal nog niet hebben aangewend voor een levenslange uitkering. De tijdelijke uitkering mag maximaal twee jaar duren.

De overige voorwaarden uit de tijdelijke regeling Pensioenknip, zoals variatie hoog/laag, informatiebepalingen en risicoprofiel en shop- en uitruilmogelijkheden, zijn niet gewijzigd. In de regeling is ook bepaald dat degenen die in de periode tussen 1 januari 2009 en 1 januari 2014 gebruik hebben gemaakt van de tijdelijke regeling Pensioenknip, de oorspronkelijke regeling blijft gelden.

Informatiebepalingen
Pensioenuitvoerders moeten de deelnemers informeren over de mogelijkheid om te kiezen voor de Pensioenknip. Volgens de nieuwe regels voor pensioencommunicatie moet de informatie tijdig, duidelijk, correct en evenwichtig zijn. Evenwichtig houdt in dat de pensioenuitvoerder ook informatie over de voor- en nadelen van de keuzemogelijkheden moet verstrekken.

Voor pensioenuitvoerders zijn er extra uitvoeringskosten. Deze kosten maken gesplitste aankoop financieel minder aantrekkelijk, voor zowel de pensioenuitvoerder als de deelnemer. Dit geld vooral bij een gering pensioenkapitaal. Daarom zijn pensioenuitvoerder alleen verplicht om mee te werken aan de Pensioenknip als het pensioenkapitaal ten minste € 10.000,- bedraagt.

Degenen die gebruik maken van de Pensioenknip krijgen van de pensioenuitvoerder jaarlijks informatie over de waarde van de beleggingen (het kapitaal) en over de hiermee aan te kopen levenslange pensioenuitkering. De betrokkene moet weloverwogen het moment kunnen kiezen waarop de levenslange pensioenuitkering wordt aangekocht.

Optimaliseren premieovereenkomsten
De staatssecretaris wil degenen die gebruik maken van de Pensioenknip de mogelijkheid geven gebruik te maken van de aangekondigde maatregelen voor optimalisering van premieovereenkomsten. Het optimaliseren van de premieovereenkomst heeft tot doel om met de ingelegde premies een beter verwacht pensioenresultaat te realiseren door risicovoller te beleggen in de uitkeringsfase.

Afgezien van de tijdelijke regeling Pensioenknip, is een deelnemer aan een premie- of kapitaalovereenkomst verplicht om op de pensioeningangsdatum het pensioenkapitaal in één keer aan te wenden voor een levenslang pensioen. Dit heeft twee belangrijke gevolgen, namelijk:

  1. In de lifecyclefondsen wordt ruim voor de pensioendatum toegewerkt naar dit ene aankoopmoment, door de beleggingen in zakelijke waarden te verminderen ten gunste van beleggingen in vastrentende waarden. Het renterisico op de pensioendatum wordt in de meeste lifecyclefondsen afgebouwd door te beleggen in langlopende vastrentende waarden;
  2. De vereiste garantie van een levenslange uitkering laat geen of slechts in beperkte mate het aangaan van beleggingsrisico na de pensioendatum toe.

Hierdoor wordt zowel in de opbouwfase als in de uitkeringsfase beleggingspotentieel gemist.

Vanuit de levenscyclus van een deelnemer bezien, is het op de pensioendatum opgebouwde pensioenkapitaal niet onmiddellijk volledig nodig voor het doen van pensioenuitkeringen. Een aanzienlijk deel van het kapitaal zou nog een flink aantal jaren risicodragend belegd kunnen blijven en zo bijdragen aan een naar verwachting hoger rendement na de pensioendatum.

De eenmalige conversie op de pensioendatum van het pensioenkapitaal in een gegarandeerd pensioen blijft dan achterwege. Dit heeft tot gevolg dat vóór de pensioendatum het beleggingsrisico niet volledig hoeft te worden afgebouwd, waardoor ook in de opbouwperiode naar verwachting een beter rendement kan worden gerealiseerd.

Beide effecten resulteren naar verwachting in hogere pensioenuitkeringen. Daarbij geldt wel dat het aanhouden van beleggingsrisico na de pensioendatum leidt tot uitkeringsonzekerheid. De pensioenuitkeringen worden (geheel of deels) afhankelijk van beleggingsopbrengsten en zullen als gevolg daarvan hoger of lager kunnen uitkomen dan een in euro’s gegarandeerd pensioen.

Tot slot
Het ziet ernaar uit dat er mogelijkheden ontstaan om door te beleggen na de pensioendatum. Door gebruik te maken van de Pensioenknip kan een deelnemer anticiperen op een eventuele mogelijkheid om door beleggen na de pensioendatum of een hogere rente over twee jaar. De rente kan natuurlijk ook nog verder dalen, waardoor de uitkering nog lager wordt. Ook de wijze waarop het pensioenkapitaal wordt belegd dat niet nodig is voor de tijdelijke uitkering, heeft grote invloed op het aan te kopen pensioen over twee jaar. De pensioenknip is dus absoluut geen garantie voor een hoger pensioen. Zelfs bij een gelijkblijvende rente kan het aan te kopen pensioen over twee jaar lager zijn vanwege de extra kosten en de tarieven van de pensioenuitvoerder.

Ook mensen met een lijfrentepolis of –rekening kunnen nadeel ondervinden van de lage rente. Anders dan deelnemers in pensioenregelingen, hebben zij nog alternatieve mogelijkheden, zoals het uitstellen van de aankoop van een uitkering tot vijf jaar na hun AOW-leeftijd. Ook kunnen zij het lijfrentekapitaal (gedeeltelijk) omzetten in een tijdelijke uitkering of een uitkering op basis van de waardeontwikkeling van beleggingseenheden (doorbeleggen).

Gezien de grote prijsverschillen tussen aanbieders van pensioen- en lijfrente-uitkeringen is het belangrijk om verder te kijken dan het voorstel van de huidige uitvoerder.

Heeft u vragen, opmerkingen of wilt u een afspraak maken, dan kunt u mij bereiken via:
T:  055-7851377 of 010-7982435
M: 06-16026504
E:  erik@hertgerspensioenadvies.nl

Apeldoorn, 14 juli 2015

Erik Hertgers
Hertgers Pensioen Advies

Disclaimer
Dit artikel is geschreven naar de inzichten van 2 juli 2015. Hertgers Pensioen Advies heeft bij het redigeren van dit artikel de nodige zorgvuldigheid betracht. Hertgers Pensioen Advies is niet verantwoordelijk voor schade die ontstaat als gevolg van onjuistheden in dit artikel.

Hoofdlijnen uitkomsten Nationale Pensioendialoog

De financiële crisis liet zien dat pensioenuitkeringen niet zo zeker zijn als altijd gedacht. Tegelijkertijd verandert de arbeidsmarkt, mensen wisselen vaker van baan of hebben tijdelijke banen, waardoor ze vaak minder pensioen opbouwen. Steeds meer mensen werken als ZZP’er. Mensen worden ouder, maar krijgen ook langer pensioen. Er komen minder jongeren en meer ouderen. Om het pensioenstelsel goed te houden heeft het kabinet allerlei maatregelen genomen. Dit was noodzakelijk onderhoud voor de korte termijn. Voor de lange termijn is mogelijk meer nodig om recht te doen aan de veranderende samenleving.
Vorig jaar is de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Jetta Klijnsma, de Nationale Pensioendialoog gestart met de vraag: “Past het pensioenstelsel nog wel bij deze veranderende samenleving?” Het pensioenstelsel heeft een aantal kenmerken zoals collectiviteit, solidariteit en verplichtstelling. Tijdens deze dialoog heeft zij burgers, sociale partners, de pensioensector, deskundigen, denktanks en toezichthouders gevraagd zich hierover uit te spreken en met ideeën en voorstellen te komen. Iedereen kon hieraan meedoen en geen onderwerp was taboe.

De opbrengsten uit deze brede dialoog vormden de input voor de Hoofdlijnennota met bouwstenen voor een mogelijk toekomstig pensioenstelsel. Uit de dialoog kwam naar voren dat het fundament van het pensioenstelsel goed is, maar dat dit moet worden aangepast aan de veranderende manier waarop mensen werken en leven. Staatssecretaris Klijnsma heeft op 6 juli jl. de Hooflijnennota naar de Tweede Kamer gestuurd.

Hoofdlijnen voor een nieuw pensioenstelsel
De richtinggevende hoofdlijnen voor een nieuw pensioenstelsel zijn:

  1. Een gedifferentieerde aanpak: een toereikend aanvullend pensioen voor alle werkenden
    Alle werkenden moeten een adequaat pensioen kunnen opbouwen, dat kan worden afgestemd op de individuele situatie. Er zijn nu mensen die weinig of geen pensioen opbouwen zoals flexwerkers, werknemers zonder pensioenregeling en veel zelfstandigen. Maar er zijn ook mensen die verplicht meer pensioen opbouwen dan waar ze behoefte aan hebben, gezien de samenhang met andere vermogensbronnen zoals individuele pensioenbesparingen, vrije besparingen of een eigen woning, die voor lagere woonlasten zorgt. Dat vraagt om een gedifferentieerde aanpak. Het kabinet wil daarom samen met alle belanghebbenden partijen de mogelijkheden daartoe verkennen.
  2. Overgang naar een actuarieel correcte systematiek van pensioenopbouw
    De doorsneesystematiek waarbij jongeren en ouderen dezelfde premie betalen, zorgt voor een herverdeling van jonge deelnemers naar oudere deelnemers. Dit wringt met de hedendaagse arbeidsmarkt en staat transparantie en een evenwichtige verdeling van risico’s in de weg.
    Het kabinet ziet afschaffing van de doorsneesystematiek als een belangrijke stap op weg naar een toekomstbestendig pensioenstelsel. Het streeft er naar deze systematiek vanaf 2020 af te bouwen door gefaseerd over te stappen naar een actuarieel correcte systematiek van pensioenopbouw. Dat betekent dat de relatie tussen premie en de opbouw van pensioenaanspraken in balans is en er op voorhand geen herverdeling tussen leeftijdsgroepen plaatsvindt. Het kabinet heeft de voorlopige voorkeur voor een systeem waarin de premie niet afhankelijk is van de leeftijd, maar de pensioenopbouw wel afneemt met de leeftijd (degressieve pensioenopbouw).
  3. Naar een transparanter en eenvoudiger pensioen
    Risicodeling is een van de sterke kanten van het Nederlandse pensioenstelsel. Het kabinet vindt het belangrijk dat die behouden blijft en ondersteunt de ontwikkeling van een nieuwe pensioenovereenkomst gebaseerd op de opbouw van een persoonlijk pensioenvermogen waarbij risicodeling mogelijk blijft. Ook moet bijvoorbeeld maatwerk mogelijk zijn in het beleggingsbeleid, zodat de individuele deelnemer kan kiezen tussen een risicomijdend en een risicovoller beleggingsdeel.
  4. Meer ruimte voor maatwerk en keuzemogelijkheden
    Het kabinet is voorstander van een combinatie van meer maatwerk en keuzemogelijkheden, zodat pensioenregelingen beter aansluiten op de kenmerken en voorkeuren van deelnemers. Het kabinet gaat verkennen welke mogelijkheden er zijn bij een vorm van persoonlijke pensioenopbouw voor maatwerk op het gebied van beleggingsbeleid, de hoogte van de inleg en de vorm van de uitkering. Ook verkent het kabinet de ruimte voor het bieden van keuzemogelijkheden op deze terreinen. Door keuzemogelijkheden kunnen mensen hun pensioen in beginsel beter afstemmen op hun persoonlijke voorkeuren, waardoor een adequate pensioenopbouw mogelijk wordt. Zodoende kan ook een betere koppeling worden gemaakt met wonen en zorg. Een punt van aandacht is tevens de mogelijkheid voor werknemers en werkgevers om in gezamenlijkheid een pensioenuitvoerder te kunnen bepalen.

Het vervolg
Klijnsma: ‘’Na de dialoog met de samenleving en deskundigen wil ik nu op basis van deze hoofdlijnennota met de Tweede Kamer van gedachten wisselen.’’

In het najaar ontvangt de Tweede Kamer van het kabinet een werkprogramma van het kabinet met de stappen voor de verdere uitwerking van de hoofdlijnen.

Tot slot
Meer informatie over de Nationale Pensioendialoog vindt u op http://denationalepensioendialoog.nl
De verdere uitwerking van de hoofdlijnen voor een toekomstbestendig pensioenstelsel zal een bijzonder complex en veelomvattend traject worden. In 2020 moet dit traject hebben geleid tot een nieuw soort pensioenregeling inclusief de mogelijkheden voor keuzevrijheid en maatwerk.

Heeft u vragen, opmerkingen of wilt u een afspraak maken, dan kunt u mij bereiken via:
T  055-7851377 of 010-7982435
M 06-16026504
E  erik@hertgerspensioenadvies.nl

Apeldoorn, 11 juli 2015

Erik Hertgers
Hertgers Pensioen Advies

 

Disclaimer
Dit artikel is geschreven naar de inzichten van 11 juli 2015. Hertgers Pensioen Advies heeft bij het redigeren van dit artikel de nodige zorgvuldigheid betracht. Hertgers Pensioen Advies is niet verantwoordelijk voor schade die ontstaat als gevolg van onjuistheden in dit artikel.

Oplossingsrichtingen pensioen in eigen beheer

Staatssecretaris Wiebes van Financiën wil de knelpunten bij pensioen in eigen beheer (hierna: PEB) oplossen. De belangrijkste knelpunten in het huidige systeem zijn de ingewikkelde wet- en regelgeving en het verschil in de fiscale en commerciële waarde van het PEB. Door dit verschil kan de vennootschap minder of geen dividend uitkeren.

Op verzoek van zowel de Eerste als de Tweede Kamer heeft hij twee oplossingsrichtingen uitgewerkt. Op 1 juli 2015 stuurde hij de Tweede Kamer een brief met de uitwerking van de volgende oplossingsrichtingen:

  1. Een oudedagsbestemmingsreserve (hierna: OBR); en
  2. Een oudedagssparen in eigen beheer (hierna OEB)

Ook doet hij de suggestie om pensioen in eigen beheer gefaseerd af te schaffen met een aantrekkelijke overgangsregeling. Deze suggestie heeft hij niet verder uitgewerkt, maar hij hoort wel graag van de Tweede Kamer of een uitwerking hiervan op prijs wordt gesteld.

De belangrijkste uitgangspunten voor een nieuwe regeling zijn:

  • Eenvoudiger en begrijpelijker wet- en regelgeving;
  • De ingelegde middelen moeten beschikbaar kunnen blijven voor (de financiering van) de eigen onderneming.
  • Het blijft mogelijk om een voorziening te treffen voor (potentiële) nabestaanden.
  • De nieuwe regeling moet budgettair neutraal zijn.

De oudedagsbestemmingsreserve (OBR)
Algemeen
De voorgestelde OBR is een fiscale reserve in eigen beheer voor de oude dag van de DGA, zonder juridisch afdwingbare rechten. Dit betekent dat de vennootschap de reserve niet hoeft om te zetten in een oudedagsvoorziening voor die DGA.

Opbouwfase
Jaarlijks kan voor iedere DGA een vast percentage van het loon (maximaal € 100.000) van de DGA ten laste van de winst worden gereserveerd. Op het loon wordt wel eerst een franchise van € 11.936 (2015) in mindering gebracht. Het vaste percentage is nog niet vastgesteld.

De vennootschap kan ieder jaar zelf kiezen of en hoeveel (gemaximeerd) er wordt gedoteerd aan de OBR. Inhaal in een later jaar is niet mogelijk. De tegenover de OBR staande activa kunnen in de vennootschap worden gebruikt.

In de opbouwfase vindt er geen oprenting van de OBR plaats. Eventueel kan ervoor worden gekozen een deel van de dotatie of al gevormde OBR te gebruiken voor een externe verzekeren van een lijfrente voor de partner en kinderen van de DGA.

De waardering van de OBR
Fiscaal behoort de OBR tot het fiscale vermogen. Omdat de OBR in de opbouwfase geen juridisch afdwingbare verplichting is, hoeft deze waarschijnlijk niet als verplichting te worden opgenomen op de commerciële balans. Er zal echter wel een toekomstige kasuitstroom plaatsvinden ter grootte van de OBR of de te betalen vennootschapsbelasting plus revisierente indien de OBR niet wordt omgezet in een verplichting. Dit leidt tot complexiteiten bij de commerciële waardering van de OBR in de opbouwfase. Die zal vrijwel zeker afwijken van de fiscale waardering. Een kleine rechtspersoon mag er overigens voor kiezen om zijn (commerciële) jaarrekening op te stellen volgens fiscale grondslagen.

Uitkeringsfase en aanwendingsmomenten
De OBR kan de vennootschap gebruiken voor:

  1. een lijfrente voor de DGA bij een professionele verzekeraar, bank of beheerder van een beleggingsinstelling; of
  2. een omzetting in gelijkmatige periodieke uitkeringen aan de DGA vanuit de vennootschap. Deze uitkeringsverplichting kan niet worden ondergebracht bij een ander lichaam.

De duur van deze uitkeringen is in beginsel 20 jaar, vermeerderd met het aantal jaren tussen het tijdstip van de eerste uitkering en de AOW-leeftijd van de DGA. De uitkeringen worden bij de DGA in box 1 belast.

Indien de OBR ook in de uitkeringsfase in eigen beheer wordt gehouden, wordt het saldo van de OBR in deze fase wel opgerent. De OBR wordt dan opgerent met een fictieve marktrente.

De verplichte aanwending van de OBR ten behoeve van de DGA vindt uiterlijk plaats:

  • binnen twee maanden nadat de DGA de AOW-leeftijd heeft bereikt, dan wel maximaal vijf jaar later indien en zolang de DGA (reëel) loon geniet; of
  • binnen zes maanden nadat de DGA geen DGA meer is.

Bij bedrijfsoverdrachten voordat de DGA de AOW-leeftijd heeft bereikt, kan de OBR worden omgezet in een recht op periodieke uitkeringen die niet direct ingaan, maar pas op de AOW-leeftijd.

Bij voortijdig overlijden van de DGA, vindt er een verplichte aanwending van de OBR plaats ten behoeve van de partner en kinderen (zonder leeftijdsbeperking) met inachtneming van een bepaalde verdeelsleutel. Indien de DGA geen partner of kinderen had, vindt er binnen 12 maanden na het overlijden van de DGA een verplichte aanwending van de OBR plaats ten behoeve van de erfgenamen/natuurlijke personen.

Bij stoppen met werken in het ene concernlichaam, maar doorgaan met werken in het andere concernlichaam, geldt geen verplichte aanwending van de OBR. Verdere dotatie in het oorspronkelijke lichaam is dan niet meer mogelijk. Wel zal dotatie in het andere lichaam mogelijk zijn.

Indien op het verplichte aanwendingstijdstip geen aanwending plaatsvindt, valt de reserve vrij ten gunste van de winst. Naast de verschuldigde vennootschapsbelasting, zal dit ook leiden tot een verschuldigde revisierente aan de fiscus ter grootte van 40% van de OBR. De DGA krijgt de mogelijkheid om aan te tonen dat deze revisierente te hoog is. Revisierente wordt niet in rekening gebracht bij een belaste vrijval, voor zover aanwending redelijkerwijs niet mogelijk is. Dit is het geval bij bijvoorbeeld dwingende maatschappelijke redenen, zoals bij faillissement, surseance van betaling of schuldsanering. Maar, ook als de onderdekking is veroorzaakt door reële ondernemings- of beleggingsverliezen en er geen sprake is van verwijtbaar handelen door het lichaam of de DGA. Hierbij geldt de fictie dat er in ieder geval sprake is van verwijtbaar handelen als het tekort is veroorzaakt doordat het lichaam in de zeven kalenderjaren voorafgaande aan het verplichte aanwendingstijdstip uitdelingen van winst of een terugbetaling van aandelenkapitaal heeft gedaan.

De DGA wordt hoofdelijk aansprakelijk voor het niet voldoen van de verschuldigde vennootschapsbelasting en rentevergoeding door het lichaam.

Dividenduitkeringsmogelijkheden
De OBR biedt de vennootschap meer inzicht in de dividenduitkeringsmogelijkheden dan bij het huidige PEB. Bovendien loopt de vennootschap met de OBR geen biometrische risico’s, zoals een langlevenrisico.

De positie van de partner
In de opbouwfase heeft een DGA en zijn eventuele partner geen juridisch afdwingbare aanspraken jegens de vennootschap. Daarnaast is Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVPS) niet van toepassing, er is immers geen sprake van pensioen. De financiële positie van de partner zal daarom op een andere manier door betrokkenen geregeld moeten worden.

In de uitkeringsfase is er wel sprake van juridisch afdwingbare aanspraken voor de DGA. Zoals al eerder is vermeld, gaan bij overlijden van de DGA tijdens de uitkeringsfase de uitkeringen vanuit de vennootschap door aan de partner en kinderen.

Overgangsrecht
Voor reeds bestaande PEB bestaat een keuzemogelijkheid:

  1. Omzetting in OBR
    Een PEB-verplichting kan zonder verschuldigde loonheffing of vennootschapsbelasting worden omgezet in een OBR ter grootte van de fiscale waarde van het PEB. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de wens van veel DGA’s. Bij deze omzetting ziet de DGA en zijn eventuele (ex-)partner af van een gedeelte van hun pensioenrechten in combinatie met een wijziging van de resterende rechten in een blote verwachting. Dit vereist instemmen/meetekenen van de DGA en de (ex-)partner. De ex-partner zal hier niet zondermeer mee akkoord gaan. Vanaf het moment van omzetting kan verdere opbouw in de OBR plaatsvinden.
  2. Geen omzetting in OBR

De bestaande PEB-verplichting wordt niet omgezet in een OBR maar PEB-rechten worden bevroren. De huidige regelgeving in de loon- en vennootschapsbelasting blijft hierop van toepassing. Er is geen verdere opbouw van PEB mogelijk. Vanaf het moment van bevriezing van de bestaande PEB-rechten kan er wel een OBR worden opgebouwd. De opgebouwde bevroren pensioenrechten kunnen overigens op elk moment worden ondergebracht bij een professionele verzekeraar. Dat leidt evenals onder de huidige regelgeving tot een aftrekpost in het betreffende jaar vanwege het verschil tussen de commerciële koopsom en de fiscale pensioenverplichting. Zolang er nog sprake is van een PEB, zullen de commerciële en fiscale pensioenverplichting actuarieel vastgesteld moeten worden.

Oudedagssparen in eigen beheer (OEB)
Algemeen
De tweede oplossingsrichting voor het huidige PEB is de OEB. De OEB is een variant op een beschikbarepremieregeling met een fictief rendement op basis van een marktrente. Voor de OEB moet in de loonbelasting een nieuw wettelijk kader worden ontwikkeld dat naast de bestaande regelingen voor extern op te bouwen pensioen komt. De DGA kan net als ‘gewone’ werknemers een pensioen blijven opbouwen bij een professionele verzekeraar, op basis van een eindloon-, middelloon- of beschikbarepremieregeling. Wanneer niet wordt gekozen voor een dergelijk extern pensioen, kan worden gekozen voor de OEB.

Opbouwfase
Bij de OEB kan jaarlijks maximaal een bepaald (vast dan wel in een staffel opgenomen) percentage van het loon (maximaal € 100.000) van de DGA opzij worden gezet binnen de vennootschap. Op het loon wordt nog wel een franchise van € 11.936 (2015) in mindering gebracht. Elk jaar kan worden gekozen of een bedrag opzij wordt gezet en zo ja, hoeveel opzij wordt gezet. Inhaal in een later jaar is echter niet mogelijk.

Vanaf het moment dat de opbouw is gestart, heeft de DGA een juridisch afdwingbaar recht op het gespaarde bedrag, waardoor het voor de vennootschap een verplichting (vreemd vermogen) vormt. Anders dan bij de OBR is dus ook in de opbouwfase van deze variant sprake van juridisch afdwingbare rechten, waardoor de positie van de DGA en de partner sterker is dan bij de OBR. Voor minderheidsaandeelhouders is deze variant daardoor eveneens aantrekkelijker dan de OBR.

De OEB-verplichting wordt jaarlijks opgerent met een marktrente. Het bij te schrijven rendement komt ten laste van de winst en wordt niet in mindering gebracht op het (jaarlijks) te doteren bedrag.

Eventueel kan een deel van het saldo worden aangewend voor een extern te verzekeren lijfrente voor de partner en kinderen van de DGA.

De waardering van de OEB
De OEB-verplichting staat in de opbouwfase al op de balans en vertegenwoordigt de aanspraak van de DGA. Deze OEB-verplichting is zowel commercieel als fiscaal bezien, vreemd vermogen.

De OEB-verplichting kan op elk moment extern bij een professionele verzekeraar worden afgestort en wordt jaarlijks opgerent met de een marktrente. Hierdoor is de commerciële waardering hoogstwaarschijnlijk gelijk aan de fiscale waardering. Dit maakt de OEB eenvoudig. Overigens loopt de vennootschap met de OEB ook geen biometrische risico’s, zoals een langlevenrisico.

Uitkeringsfase en aanwendingsmomenten
Net als bij de OBR moet de OEB-verplichting uiteindelijk worden gebruikt voor het extern bedingen van een lijfrente voor de DGA of voor gelijkmatige uitkeringen gedurende 20 jaren aan de DGA vanuit de vennootschap. Tijdens de uitkeringsfase vindt eveneens oprenting plaats met de genoemde marktrente.

Uitkeringsfase en aanwendingsmomenten
De OEB-verplichting dient net als bij de OBR aangewend te worden voor een lijfrente of een gelijkmatige periodieke uitkeringen aan de DGA vanuit de vennootschap. Ook de minimale duur van de periodieke uitkeringen is gelijk.

Verplichte aanwending van de OEB-verplichting ten behoeve van de DGA vindt uiterlijk plaats:

  • binnen twee maanden nadat de DGA de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; of
  • maximaal vijf jaar later indien en zolang de DGA (reëel) loon geniet (voor gemiddeld ten minste een dag per week werken);
  • binnen 12 maanden na het overlijden van de DGA ten behoeve van de partner en de kinderen (zonder leeftijdsbeperking), volgens een bepaalde verdeelsleutel c.q. de erfgenamen/natuurlijke personen;

Bij het niet-regulier afwikkelen van de OEB-verplichting gelden vergelijkbare sancties als bij het huidige PEB.

De OEB-verplichting hoeft niet te worden omgezet in een levenslange uitkering vanuit het eigenbeheerlichaam om problemen en discussies te voorkomen die nu spelen bij het huidige PEB in de uitkeringsfase.

Daarom is het mogelijk om het opgebouwde kapitaal in het eigenbeheerlichaam gelijkmatig af te bouwen in een periode van 20 jaar, vermeerderd met het aantal jaren tussen het tijdstip van de eerste uitkering en de AOW-leeftijd van de DGA. Er vindt wel een jaarlijkse oprenting van de nog resterende OEB-verplichting plaats. Hierdoor stijgt jaarlijks de uitkering. De OEB-verplichting is niet afhankelijk van sterftekansen en dergelijke, daardoor is de waardering zowel commercieel als fiscaal zonder ingewikkelde actuariële berekeningen te maken.

Het blijft op elk moment mogelijk het resterende saldo aan te wenden voor een kwalificerende lijfrente bij een professionele verzekeraar etc.

Indien de DGA overlijdt op het moment dat de uitkeringen al zijn ingegaan, gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op de partner en kinderen (zonder leeftijdsbeperking), volgens een bepaalde verdeelsleutel. Indien er geen partner of kind is, gaat dit recht over op de erfgenamen/natuurlijke personen.

Dividenduitkeringsmogelijkheden
Bij een OEB wordt er geen doelvermogen opgebouwd zoals bij een PEB. De commerciële waardering van de OEB-verplichting is hoogstwaarschijnlijk gelijk aan de fiscale waardering. Hierdoor is het eenvoudiger om vast te stellen hoeveel dividend er uitgekeerd kan worden.

Als de vennootschap meer dividend uitkeert dan de verplichting toelaat, dan wordt dit aangemerkt als afkoop. De waarde van de OEB-verplichting wordt dan aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Daarbij is de DGA 20% revisierente verschuldigd (met de mogelijkheid om aan te tonen dat de rentevergoeding lager zou moeten zijn).

Het bedrag ter grootte van de OEB-verplichting is uiteraard niet beschikbaar is voor het doen van dividenduitkeringen. Dit biedt de vennootschap minder flexibiliteit dan de OBR.

De positie van de partner
Een deel van de ruimte voor de OEB-verplichting mag worden gebruikt om extern het vooroverlijdensrisico af te dekken of een andere kwalificerende lijfrente te bedingen, om de belangen van partners en kinderen te waarborgen.

OEB is op basis van de huidige definitie geen pensioen in de zin van de WVPS. Eventueel kan deze wet nog worden aangepast zodat het OEB er wel hieronder valt.

Overgangsrecht
Voor reeds bestaande pensioenaanspraken zal de volgende keuzemogelijkheid gelden:

  1. Omzetting in OEB
    Om tegemoet te komen aan de wens van veel DGA’s, kan een PEB-verplichting kan zonder verschuldigde loonheffing of vennootschapsbelasting worden omgezet in een OEB ter grootte van de fiscale waarde van het PEB. Bij deze omzetting ziet de DGA en zijn eventuele (ex-)partner af van een gedeelte van hun pensioenrechten in combinatie met een wijziging van de resterende rechten in een OEB-verplichting. Dit vereist instemmen/meetekenen van de DGA en de (ex-)partner. Een ex-partner zal hier (waarschijnlijk) niet mee akkoord gaan.
  2. Geen omzetting in OEB
    De huidige regelgeving in de loon- en vennootschapsbelasting blijft van toepassing op de PEB. Er is geen verdere opbouw van PEB mogelijk. Vanaf het moment van bevriezing van de bestaande PEB-rechten kan wel een OEB worden opgebouwd. De opgebouwde bevroren pensioenrechten kunnen overigens op elk moment worden ondergebracht bij een professionele verzekeraar. Dat leidt evenals onder de huidige regelgeving tot een aftrekpost in het betreffende jaar vanwege het verschil tussen de commerciële koopsom en de fiscale pensioenverplichting. Zolang er nog sprake is van een PEB, zullen de commerciële en fiscale pensioenverplichting actuarieel vastgesteld moeten worden

Voorkeur staatssecretaris Wiebes
Staatssecretaris Wiebes heeft een voorkeur voor de OEB oplossing. Hij gaat hierover graag het debat aan.

Tot slot
Staatssecretaris Wiebes heeft eerder aangegeven dat hij ernaar streeft om de nieuwe wetgeving per 1 januari 2016 in werking te laten treden, maar gaf nu aan dat hij ook hierover in debat wil met de Tweede Kamer. Een wetsvoorstel volgt nadat hij met de Kamer heeft gedebatteerd over de varianten.

Heeft u vragen, opmerkingen of wilt u een afspraak maken, dan kunt u mij bereiken via:
T  055-7851377 of 010-7982435
M 06-16026504
E  erik@hertgerspensioenadvies.nl

Apeldoorn, 6 juli 2015

Erik Hertgers
Hertgers Pensioen Advies

Disclaimer
Dit artikel is geschreven naar de inzichten van 6 juli 2015. Hertgers Pensioen Advies heeft bij het redigeren van dit artikel de nodige zorgvuldigheid betracht. Hertgers Pensioen Advies is niet verantwoordelijk voor schade die ontstaat als gevolg van onjuistheden in dit artikel.